Suum Cuique

Mastervereniging voor Civiel recht, genootschap voor Rechtsvinding

Terugblik


Lezing - Klimaatzaak Urgenda

De heer Huydecoper vertelde dat al tientallen jaren wordt gewaarschuwd voor de klimaatverandering en degevolgen daarvan. Aanvankelijk door kleine aantallen mensen die gemakkelijk naar de marge konden worden verwezen, maar al gauw door ''serieuze'' deelnemers aan het maatschappelijk debat, in toenemende aantallen. Vandaar dat al in 1992 een internationale conferentie in Rio de Janeiro aan het onderwerp werd gewijd. 

Inmiddels is duidelijk dat uitstoot, als gevolg van menselijke activiteiten, van zogenaamde broeikasgassen deoorzaak is van een geleidelijke toename van de temperatuur van de atmosfeer en van de zeeën. Tevens, is het vrijwel onomstreden, dat verdere toename van de temperatuur desastreuze gevolgen zal hebben. Hierbij is het, volgens de heer Huydecoper, van belang om te weten dat indien de temperatuur een grens van ongeveer 2 graden celsius overschrijdt er een versterkend effect optreedt waardoor verdere stijging niet, of slechts zeer moeilijk te voorkomen zal zijn. Derhalve zal een zeer forste aantasting van het milieu volgen. 

Tenslotte vertelde de heer Huydecoper dat onder klimaatwetenschappers een aanzienlijke mate van consensus bestaat over het feit dat het terugbrengen van de uitstoot van broeikasgassen technisch mogelijk is, en dat daarmee weliswaar een vrij aanzienlijke last voor de betrokken landen gepaard gaat, maar dat die last bepaald niet kwalificaties als 'ondragelijk' of 'onaanvaardbaar' verdient.

Vervolgens ging de heer Huydecoper in op het Urgenda-vonnis. Hij gaf aan dat hij drie dingen wilde doornemen, te weten (1) 'wat nu in het Urgenda-vonnis geoordeeld'; (2) 'wat hij vindt van het vele zijden geopperde argument dat de rechter hiermee zijn boekje te buiten is gegaan'; en (3) 'of er inderdaad voldoende grond was om de Staat te veroordelen zoals de rechter dat in dit vonnis heeft gedaan'.

Hoewel de heer Huydecoper van mening is dat een samenvatting bijna altijd tekort doet aan de volledige gedachtegang, af hij toch een korte samenvatting van het Urgenda-vonnis. Hij stipte hierbij de hiernavolgende punten aan:

– de rechtbank constateert dat zeer brede steun bestaat voor de noodzaak dat landen als Nederland pereind 2020 een uitstootreductie van tenminste 25% verwezenlijken (onder andere rov. 4.29)

– de volkenrechtelijke demarches van Nederland, in VN- en EU-verband, leveren weliswaar geen rechtstreekse verplichtingen t.o.v. de burger (inclusief Urgenda) op; maar de zorgvuldigheidsplicht naar “gemeen recht” wordt daardoor wel nader “ingevuld” (er is, zoals de rechtbank het uitdrukt, “reflexwerking”, rov. 4.43, uitgewerkt in de volgende rov.)

– de Staat is verplicht om zijn burgers te behoeden voor de ernstige gevolgen van klimaatverandering, o.a. rov. 4.65;

– argumenten van de Staat die ertoe strekken dat verdergaande uitstootbeperking onevenredig belastend is of dat zogenaamde “adaptatie” (in plaats van “mitigatie”) een aanvaardbaar alternatief vormt, worden verworpen (o.a. rov. 4.75, 4.76). Hetzelfde geldt voor argumenten die ertoe strekken dat het verantwoord zou zijn om toekomstige technologie af te wachten (of overigens: om de reductie te temporiseren), rov. 4.72.

– het geldende Nederlandse beleid beantwoordt niet aan het minimum dat wetenschappelijk is aanvaard;

– per saldo: de Staat schiet inderdaad tekort, rov. 4.83 – 4.86.

Omtrent de kritiek dat de (burgerlijke) rechter zijn bevoegdheden overschrijdt zegt de heer Huydecoper: 'deze kritiek slaat de plank volledig mis'. In de Urgenda-zaak werd immers, in de woorden van de heerHuydecoper, op voldoende onderbouwde gronden aangevoerd dat de Staat in een op de Staat rustende verplichting tekort schoot, en dat de Staat - zoals in het algemeen het geval is als er normschending geconstateerd wordt - bevolen moest worden, zijn verplichting alsnog na te komen. Volgens de heerHuydecoper is het beoordelen of de staat tekort schiet iets wat onder alle omstandigheden tot de taak van derechter behoort. Vervolgens zei hij dat niets kan rechtvaardigen dat de overheid in dit opzicht een gepriviligieerde positie ten opzichte van andere rechtsgenoten zou verdienen. Voorts benadrukte de heerHuydecoper dat aan de recht niet is gevraagd om een bevel om wetgevende maatregelen te nemen, en geen maatregel die keuzes vereist op terreinen waar die keuzes aan andere Staatsmachten voorbehouden moeten blijven. 

Tenslotte gaat de heer Huydecoper in op de vraag of de rechter met recht heeft vastgesteld dat de Staat tekort schiet door niet tenminste de doelstelling van 25% reductie in het jaar 2020 na te streven. De heerHuydecoper zegt hier drie dingen over. Het eerste wat hij noemt zijn de, in het voorjaar van 2015, gepubliceerde Oslo Principles. De Oslo Principles leggen een alleszins verdedigbare basis voor een op Staten, en dus ook Nederland, rustende verplichting om de uitstoot onder de verantwoordelijkheid van dedesbetreffende staat terug te brengen tot het niveau van het uitstoot-budget. Hoe groot dit budget is laat deheer Huydecoper over aan beta-klimaatwetenschappers, maar het is volgens hem aannemelijk dat dat een verdere terugbrenging van de uitstoot betekent, dan in het Urgenda-vonnis bevolen. De heer Huydecoperlegt uit dat in het Urgenda-vonnis en IPCC-conclusie als maatstaf is gebruikt. De IPCC-conclusie houdt immers in dat bij vermindering van de uitstoot van 'rijke' landen met (tenminste) 25% per 2020, er 66% kans bestaat dat 'we de rand van de afgrond niet passeren. De heer Huydecoper stelt vervolgens de vraag of dekans dat we de rand van de afgrond toch passeren niet veel te groot is om die 'verantwoord te nemen'. Concluderend stelt hij voorts dat er ruimschoots voldoende grond is om de vrij bescheiden constatering van tekortschieten uit het Urgenda-vonnis als stevig onderbouwd aan te merken. 

Vervolgens gaat de heer Huydecoper in op de beleidsvrijheid. Hierbij noemt hij het bij het oordeel van derechtbank betrokken gegeven dat, kort gezegd, temporiseren de kans op een slechte afloop (aanzienlijk) vergroot en dat het beter is om te voorkomen dan te genezen. De hamvraag die volgens hem rijst is: levert beleid dat op korte termijn resultaten prioriteit geeft ten koste van lange-termijn problemen, onaanvaardbaar beleid op?  Volgens de heer Huydecoper mag deze vraag in veel gevallen niet bevestigend worden beantwoord. Echter, of in het geval van klimaatverandering een beleid dat nodige maatregelen - althans voor een belangrijk deel - temporiseert, onverantwoord is te noemen, is wel een legitieme vraag. Deze vraag beantwoordt de heer Huydecoper, net zoals de rechtbank, dan ook bevestigend. 

Het laatste punt van de heer Huydecoper gaat over causaliteit. Volgens de heer Huydecoper stuiten juristen die zich met het klimaatprobleem bezighouden op het juridische leerstuk van de causaliteit. Blijkens de Oslo Principles is het, voor de vraag of een gedraging onrechtmatig is, echter niet nodig om te onderzoeken of die gedraging ook relevant causaal verband tot schade (of in de toekomst te verwachten schade) vertoont. Echter, de rechters in de Urgenda-zaak hebben wel aandacht aan het causaliteitsprobleem gegeven maar oordeelde: er is voldoende causaal verband, punt uit (r.o. 4.90 en 4.79). Hoewel de Oslo Principles nog niet waren gepubliceerd toen de rechtbank al volop met het concipiëren van het vonnis bezig was kan mende voornoemde rechtsoverwegingen, volgens de heer Huydecoper, ook  zo lezen dat 'eigenlijk' wordt geoordeeld in dezelfde zin als de Principles voorstaan. 'Wishful thinking? Nou en?'