Suum Cuique

Mastervereniging voor Civiel recht, genootschap voor Rechtsvinding

Terugblik


Lezing ‘China’s Tort Liability Law, de laatste etappe naar een Chinees Burgerlijk Wetboek?’

In China is het burgerlijk recht zich pas recent aan het ontwikkelen. Momenteel worden er grote stappen gezet om het rechtssysteem te moderniseren. China kent nog geen ‘volwaardig’ Burgerlijk Wetboek zoals wij dit in Nederland kennen, maar er bestaan al wel een aantal losse wetten welke regelingen met betrekking tot het burgerlijk recht handhaven. Het uitdagende wetgevingsproject tot het vervaardigen van een Chinees Burgerlijk Wetboek is in 1998 gestart, en inmiddels ligt er al een ontwerp-BW klaar welke China stap voor stap zal gaan invoeren volgens de zogenaamde “piecemeal approach” of “Building Block Strategy”.

Een van de stappen die men recentelijk heeft gezet is het ontwerpen van een nieuwe onrechtmatige daadswet, de Tort Liability Law. Deze wet is in juli 2010 in werking getreden en zou zomaar eens de laatste etappe naar een Chinees Burgerlijk Wetboek kunnen zijn. De Chinese civilisten zijn erg trots op hun Tort Liability Law, daar het in hun ogen een unieke opbouw heeft. Maar als je deze onrechtmatige daadswet beter bekijkt, kan men zich afvragen of deze opbouw wel zo uniek is als de Chinese civilisten denken. De Tort Liability Law kent twaalf hoofdstukken met maar liefst 92 artikelen, wat in vergelijking met het Nederlands Burgerlijk Wetboek relatief veel bepalingen met betrekking tot de onrechtmatige daad oplevert. De opbouw van deze hoofdstukken vertonen wel gelijkenissen met de Nederlandse opbouw, namelijk van algemene bepalingen naar bijzondere bepalingen. Het feit dat de Chinese Tort Liability Law door de wetgever zo uitgebreid is opgezet, is mede te verklaren door het gegeven dat jurisprudentie in China niet erkend wordt als bron van recht. Dit heeft bij de wetgever geleid tot een zekere drang om door het vastleggen van een grote hoeveelheid concrete regels de rechtszekerheid te beschermen.

Het is voor de Nederlandse civilist interessant om een aantal bepalingen uit de Chinese Tort Liability Law nader te bekijken, die vanuit ons oogpunt in bepaalde mate opvallend genoemd kunnen worden omdat het Nederlands Burgerlijk Wetboek deze rechtsfiguren niet kent. Te denken valt aan de onrechtmatige daad ‘voorwerpen geworpen uit gebouwen’, excuses als rechtsmiddel en het rechtsfiguur van de ‘punitive damages’.

Ten eerste kent de Chinese Tort Liability law een bepaling voor de onrechtmatige daad ‘het werpen van voorwerpen uit gebouwen’. Stel je voor dat je rustig over straat loopt en geraakt wordt door een baksteen gegooid uit het imposante gebouw waar jij net langs wandelt, en er is niet direct duidelijk wie hiervoor verantwoordelijk is. Wat zou je doen in een dergelijke situatie? Als je in China zou wonen is het volgens de Tort Liability Law mogelijk om alle inwoners, schuldig of onschuldig, van het gebouw aan te spreken voor de door jou geleden schade, tenzij hun onschuld expliciet bewezen kan worden. In Nederland zou men niet in aanmerking kunnen komen voor een schadevergoeding, omdat er immers geen dader aan te wijzen is die aansprakelijk is voor jouw schade en het zou ondenkbaar zijn om aansprakelijk gesteld te kunnen worden voor een daad die je niet begaan hebt. In China denken ze hier klaarblijkelijk anders over en kan je alle ‘mogelijke’ daders aanspreken en dit rechtvaardigen onder de noemer risicoaansprakelijkheid. Mr. Guo vermoedt dat de reden achter deze constructie is, het slachtoffer te beschermen. De verzekeringsindustrie is in China niet ontwikkeld, waardoor veel mensen niet verzekerd zijn voor o.a. dit soort ongevallen. De gedachte van de wetgever is dat slachtoffers van een onrechtmatige daad, die hiervoor geen compensatie ontvangen van een (mogelijke) dader, uit ontevredenheid sociale onrust kunnen veroorzaken. Onder de heersende ‘harmonious society’ politiek in China wil men juist sociale onrust onder de bevolking zoveel mogelijk voorkomen, waarvoor deze bepaling in de ogen van de wetgever de juiste oplossing was.

Ten tweede kent China het gebruik van excuses als rechtsmiddel. Men kan zich afvragen of dit een zinvolle remedie is, want de rechter kan een persoon immers niet dwingen tot het maken van excuses aan het slachtoffer. Ondanks het feit dat deze bepaling veel kritiek krijgt te verduren, blijken excuses toch veel gebruikt te worden als rechtsmiddel, bijvoorbeeld in zaken met betrekking tot belediging. De excuses spelen wel slechts een aanvullende rol in het oordeel en worden dus naast een veroordeling tot het betalen van schadevergoeding opgelegd. Een mogelijke verklaring voor het bestaan van deze bepaling is het culturele aspect van het tonen van respect naar anderen, maar een sterkere verklaring daarentegen is te vinden in de paternalistische verhouding tussen staat en burger.

Ten derde kent China, door Amerikaanse invloeden, de rechtsfiguur ‘punitive damages’. Het principe achter ‘punitive damages’, een verplichting tot betaling van een geldsom die de omvang van de schade overstijgt om door afschrikking preventie te bewerken, druist in tegen het basisprincipe van schadevergoeding dat wij in Nederland kennen; men krijgt niet meer vergoed dan de geleden schade. Een verklaring voor het hanteren van ‘punitive damages’ kan men vinden in bijvoorbeeld het heersende probleem rondom producten van slechte kwaliteit geproduceerd in China. De publiekrechtelijke handhaving op dergelijke problemen schiet blijkbaar drastisch tekort en het aanspreken van de overheid voor nalatigheid is erg onwaarschijnlijk in China. Door deze situatie is privaatrechtelijke handhaving gewenst in de vorm van het creëren van preventieve werking d.m.v. ‘punitive damages’.

Uit deze en de vele andere punten die mr. Guo tijdens zijn lezing aan ons voorlegde bleek heel sterk hoe groot de verschillen zijn tussen de Nederlandse gang van zaken en die in China. Niet alleen de inrichting van hun burgerlijk recht verschilt van de onze, maar ook het politieke proces eromheen. Zo is er weinig tot geen transparantie met betrekking tot hoe het wetgevingsproces verloopt (er ontbreekt een parlementaire geschiedenis) en bleek bijvoorbeeld ook heel sterk dat de rechtsprekende macht in China in verhouding tot de uitvoerende macht erg weinig autonomie heeft. Tegelijkertijd werd ook duidelijk dat China hele grote veranderingen doormaakt en het verbeteren van hun rechtsstaat betreft op de goede weg is. Nu het onze hoop was aan het einde van deze lezing een beter beeld te krijgen van zowel enkele juridische als daarmee gemoeide politieke verschillen tussen Nederland en China kan met recht worden geconcludeerd dat mr. Guo daarin zeer is geslaagd.